In profiel: Aurel Sercu. Een docerende, dicterende filoloog

 

Aurel Sercu. Geboren in 1945, in Roeselare, een stad in het centrum van de provincie West-Vlaanderen, waar overigens ook Diederik Van Coillie geboren is. Zijn geboortehuis staat op ongeveer 20 km van waar hij nu woont: Boezinge, een dorp net ten noorden van Ieper.

Aurel Sercu

Als je de dicteeverzameling doorwerkt kom je zijn naam vele malen tegen. Wie is de man achter deze prachtige dicteeteksten? Tijd voor een aantal vragen...

Wat is de achtergrond van uw - voor Nederlandse begrippen - exotisch klinkende naam?

Mijn achternaam? Want ook mijn voornaam is ietwat ongewoon. Ik ken zelfs niemand persoonlijk met dezelfde voornaam. Pas toen Roemenië in het nieuws kwam, hoorde en zag ik dat hij daar wel een heel stuk couranter is dan hier.

Mijn familienaam dan. Een ietwat vreemde vraag, maar komende vanuit Nederland niet onverwacht, want ze werd mij al meer gesteld. Sercu is hier geen ongewone naam. En wie - zeker van mijn generatie - een beetje vertrouwd is met wielrennen zal misschien wel de naam van mijn neef, Patrick Sercu, kennen. Een baanrenner met enige bekendheid.

Blijkbaar komt een van mijn verre voorouders uit Sercus, een klein dorpje nabij het Noord-Franse Hazebrouck, op zowat 25 km voorbij onze Belgisch-Franse grens. Vóór de verfransing van Frans-Vlaanderen heette het Zerkel. Ik maak er een punt van om er eenmaal per jaar naar toe te trekken, als een soort bedevaart naar mijn roots. Met de fiets of op doorreis naar de Somme. Ik kijk dan altijd uit naar een ‘autochtoon', aan wie ik trots mijn identiteitskaart kan tonen met mijn naam. Maar ik zie er... geen kat. Al werd ik er de allereerste keer, vele jaren geleden, door de plaatselijke dorpspastoor getrakteerd op een fles wijn.

Wat was uw beroep en is er een connectie met taal?

Ik studeerde Germaanse filologie in Leuven en gaf van 1968 tot 2000 les in Nederlands en Engels aan een middelbare school in Ieper. Een heel boeiende periode. Zeggen we maar: van een hobby een boeiend beroep mogen maken.
Tot twee jaar voor mijn vertrek was mijn publiek uitsluitend vrouwelijk, 16 à 18 jaar. Lesgeven aan jongens had ik tot dan toe nog niet gedaan, maar ik vond dat lesgeven aan meisjes van die leeftijd misschien wel iets meer voldoening schonk dan aan jongens, wegens iets meer maturiteit. In 1998 moest ik dan toch toegeven dat de komst van enkele jongens wel verrijkend was.

U bent in 2000 gestopt met lesgeven, toen u nog maar 55 was?

Juist. Ik ging toen met wat wij in het onderwijs TBS noemen. Ik vermeld met plezier die term omdat bij Nederlanders Terbeschikkingstelling wel iets heel anders oproept dan bij ons. TBS in verband met leerkrachten is wat we gemakshalve brugpensioen of prepensioen noemen. Ik was een van de laatsten die op zo'n jonge leeftijd met TBS kon in het onderwijs.

Een boeiend beroep, zegt u, maar er toch mee opgehouden zodra de kans zich voordeed?

Inderdaad. Maar ach, bij zo'n beslissing spelen natuurlijk veel zaken mee. Persoonlijke ook, waarover ik maar niet zal uitweiden. Nochtans heb ik tot de laatste seconde met enthousiasme les gegeven. En ik kan garanderen: het besef van die laatste seconde doet je wel wat. Toch is leraar zijn - helaas - wel iets meer dan alleen maar lesgeven, en een paar randaspecten van het leraarschap konden me niet echt enthousiast meer maken.

Misschien is de belangrijkste reden van mijn opstappen wel: wie lesgeven heel ernstig neemt, ziet daardoor zowat al z'n tijd en energie opgeslorpt worden, waardoor er voor iets anders nauwelijks nog tijd en ruimte overblijft. En dat zat me dwars: er waren nog zoveel andere interesses waarvoor ik mijns inziens veel te weinig tijd kon maken. En als ik er dan toch tijd voor maakte, voelde ik me haast schuldig.

Aan wie met pensioen gaat wordt wel eens gevraagd: "En ben je niet bang voor ‘het zwarte gat'?" In mijn geval stapte ik eruit, precies omdát ik me in een zwart gat gezogen voelde!

Hoe omschrijft u uw voorliefde voor de Nederlandse taal?

Om heel eerlijk te zijn: een voorliefde voor de Nederlandse taal heb ik niet. Wel voor taal. En dan vooral voor het historische aspect ervan: etymologie, evolutie, veranderingen, het aanvaardbaar worden van wat aanvankelijk fouten zijn. Helaas is mijn taal nu eenmaal Nederlands. Ik ben de eerste om ze te relativeren. Het is ‘maar' Nederlands. Jammer dat ik niet geloof in reïncarnatie, want ik zou anders wel wensen herboren te worden in een Engelssprekende omgeving.

Wat zou er anders zijn in een Engelstalige omgeving?

Voor alle duidelijkheid: het is niet alleen de omgeving. Ik hou van de Angelsaksische cultuur, de Britse zowel als de Amerikaanse, al ben ik nog nooit in de States geweest. Maar ik hou vooral van het Engels als taal. Ik vind ze ‘interessanter' dan het Nederlands, in veel opzichten, zowel lexicologisch als grammaticaal als qua klank en geschiedenis, enz. Vraag me niet dat te motiveren: het is natuurlijk allemaal erg subjectief.

Hoe bent u betrokken geraakt bij het schrijven van dictees?

Door een toeval. Hoe gaat zoiets ... Dirk Debuysere, toen collega in mijn vroegere school, en voorzitter van de plaatselijke Davidsfondsafdeling, vroeg me in 1993 tussen twee lessen in of ik er iets voor voelde om eens een dictee ineen te steken. De dicteerage stond toen in de startblokken, met de groeiende populariteit van het tv-dictee, het Groot Dictee der Nederlandse Taal. Iets soortgelijks op bescheiden schaal voor Ieper zou misschien wel een goed idee zijn? En dat is het inderdaad gebleken. Van plaatselijk initiatief groeide het uit tot een provinciaal gebeuren, en uiteindelijk werd het organisatorisch overgenomen door het Davidsfonds, als Groot Nederlands Dictee.

U heeft het dicteestokje doorgegeven, wat was de aanleiding?

Een aantal persoonlijke omstandigheden speelden een rol, misschien ook wat sleet ... In 2004 was het tenslotte ook al de twaalfde keer voor mij. En ook: het is toch een heel stresserende bezigheid. Vanaf eind november tot maart ging al mijn vrije tijd erin op. Bij de organisatie was ik niet echt betrokken, maar het samenstellen van de opgaves voor voorrondes en finale voor junioren, liefhebbers en specialisten was toch belastend en tijdrovend.

Wat me vooral dwars begon te zitten was de vaststelling dat ik noodgedwongen de moeilijkheidsgraad - vooral voor de specialisten - moest optrekken tot een niveau dat het niet echt een dictee meer werd. Specialisten pakken op d/t-fouten is al een illusie. Al is het de keren dat het wél lukt heel bevredigend. Woorden als chocolaatje, stoïcijns, paella, siësta, lymfocyten, geolied, suïcidaal, impresario, snoodaard brengen de specialisten allang niet meer in verlegenheid. Dus moet je ze haast fouten doen schrijven in woorden die ze niet kennen. Als samensteller beleef je daar hoegenaamd geen plezier meer aan. Je moet je steeds voor ogen houden dat het erop aankomt de deelnemers fouten te doen schrijven in woorden die ze horen te kennen.

Ooit kreeg ik, in een van de eerste dictees, de kritiek dat er nogal wat on-Nederlandse woorden in voorkwamen. Ik nam me toen voor eens een dicteetekst te schrijven met alleen maar écht Nederlandse woorden. Dat bleek al meteen totaal onmogelijk. En later werd ik meer en meer, haast verplicht om te focussen op woorden die haast niemand - ook ik niet - kende, maar die me op een of andere manier onder ogen kwamen.

Ik denk dat dictees van na mijn tijd me enigszins gelijk gegeven hebben. Ik zou ook wel in de fout gegaan zijn bij woorden als ciguatera, jodhpurs, siksijoeroes, leishmaniasis , aepyornis, taedieus, hyaliene ... Alle bewondering voor wie die woorden courant gebruikt, maar een dictee mag, vind ik, niet te sterk evolueren in de richting van een woordquiz.

De nieuwe spelling had ook wel iets te maken met het doorgeven van de fakkel. Vreemd genoeg had ik niet echt veel moeite met de nieuwe spelling in 1995. Ik vond ze zelfs eerder, ehh, amusant. En als ‘men' vond dat ik voortaan pannenkoek hoorde te schrijven, dan had ik daar niet écht moeite mee. Enige weerzin is echter geleidelijk aan gegroeid, en eigenlijk reeds vóór de ‘actualisering' van het Groene Boekje in 2005. Ik hang die weerzin graag op aan een symboolvoorbeeld. Als je een bundel van meer dan één sage hebt, dan heb je een sagenbundel. Die ‘n' lijkt me logisch. Maar als je een bundel van meer dan één novelle hebt, dan is het moeilijk te begrijpen dat je dan een novellebundel hebt. Jaja, ik ken de tussen-n-regel voor woorden die eindigen op -e ook wel, maar toch: het klopt ergens niet.

En het volgende heeft er ook mee te maken. Iets waar ik het ook heel moeilijk mee gehad heb, in 2005, is de knieval die de Van Dale gedaan heeft voor het Groene Boekje in verband met de tussen-n. Ik vond de tussen-n-regel in de vroegere Van Dale uitstekend. Akkoord, hij verschilde van die van het Groene Boekje, maar hij was veel eenvoudiger, en uiteindelijk waren er ook niet zoveel woorden die een ander spellingbeeld leverden met de Van Dale-regel.

Waaraan dankt u uw grote woordenschat?

Mijn woordenschat op dagdagelijks niveau is heus niet zo groot, maar bij het ineensteken van een dictee moet er natuurlijk een tandje bijgestoken worden. Speciale voelsprieten in werking stellen voor eerder ongewone woorden. En zoals ik al zei: op de duur worden de woorden iets té ongewoon. Ik voelde dat het niet echt meer om een dictee zou gaan - ik heb het hier dus wel over de specialistencategorie - maar in te hoge mate om een quiz. En de deelnemers zagen het ook zo. Een aantal onder hen hadden daar geen moeite mee, integendeel. Anderen wel. Ik heb het altijd menselijk willen houden, en een lijn getrokken: tot hier en niet verder. Al heb ik natuurlijk ook woorden gebruikt als acetylsalicylzuurtabletje, pusillanieme, simiëske, Caudijnse, grandguignoleske... Maar dat was dan eerder plagerig bedoeld, of om te schiften. En hopelijk kwam het ook zo over.

Ik heb trouwens ontzettend veel bewondering voor de deelnemers die tot de absolute top behoren, en wens alleen maar dat de beste moge winnen. Alleen, een dictee op hoog niveau is natuurlijk maar een eerder willekeurige steekproef: een beperkt aantal woorden op een bepaald moment in een eigen context. Of dat is misschien juist een van de charmes van een dictee?

Kende u Mauring en Diederik van Coillie? Zo ja, kunt u iets meer over hen vertellen?

Mauring Van Coillie kende ik omdat hij halfweg de jaren 1990 ook al bezig was met de dicteeverzameling. Hij nam zelf ook wel eens deel aan een dictee, maar met veel minder ambities dan zijn broer. Zijn verzameling was echter een respectabel en zeer bruikbaar werk aan het worden. Zijn totaal onverwacht overlijden - en de oorzaak - was een klap. Het is me zelfs bijgebleven waar en hoe ik dat vernam: op de middag onderweg van mijn school in Ieper naar huis hoorde ik het in het radionieuws.

Diederik Van Coillie kende ik ook vrij goed. Een heel minzaam en bescheiden man. Een briljante geest ook. Misschien zelfs geniaal? Heeft hij niet ooit een record scherper gesteld door het neerpennen - uit het hoofd - in een tijdspanne van 4 of 5 uur van 10.000 cijfers na de komma in het getal pi? Ikzelf raak tot aan 3,1415 en ben daar al heel blij mee!
Ik was echt blij dat hij het Groot Nederlands Dictee van 2000 won. Want ik had toen mijn tekst opgedragen aan zijn overleden broer. Ik was in e-mailcontact met Diederik in de dagen net voor zijn bypassoperatie. Het nieuws kwam als een schok.

Speelt u zelf mee met dicteewedstrijden, via televisie of anderszins?

Deelnemen? Geen sprake van! Ik weet waaraan ik met mijn teksten destijds de deelnemers onderwierp, en mezelf aan zoiets onderwerpen? Ik wil er niet aan denken. O ja, ik heb toch een- of tweemaal aan een dictee deelgenomen, heel lang geleden, zonder voorbereiding, en ik eindigde ergens in een goeie middenmoot. Deelnemen aan het tv-dictee, voor het scherm dan, heb ik ook nog gedaan, maar nu niet meer. Ik ergerde me te veel aan enkele zaken. Enkele opgavenwoorden en zo. Maar ik ben de eerste om er geen moeite mee te hebben dat anderen zich ergerden aan opgavenwoorden in mijn eigen dictees.

Doet u op dit moment nog iets op taalgebied? Heeft u andere dicteetaken?

Ik blijf natuurlijk geïnteresseerd in taal. Wat dictees betreft, daar neem ik veel meer afstand. O ja, ik blijf in geringe mate ook nog wel betrokken bij het Davidsfondsdictee, en hier en daar ook een ander dictee. Als advocaat van de duivel dan.

Wat vond u het moeilijkst aan het samenstellen van dictees?

Zelf heb ik het in mijn tijd altijd als een ondraaglijke verschrikking ervaren dat ik er alléén voor stond. Ik moest voortdurend en hoe langer hoe meer balanceren op een heel slap touw om te zorgen dat anderen erin tuinden. Met het risico dat ik er zelf in tuinde. Eén fout, waarbij in het ergste geval de laureaat opeens de laureaat niet meer is, en je bent de pineut. Het is me één keer overkomen dat we nadien de uitslag moesten herzien. (Herinner je je nog, Diederik, Latijns-Amerikaans en Latijnsamerikaans?). Ik heb er slapeloze nachten door beleefd. Zeker toen er met een deurwaarder gedreigd werd.

Ik wil maar zeggen: bij het opstellen van een opgave voor een prestigieus dictee kan je echt niet zonder assistentie. Doordat de tekst - zeker voor de allerhoogste categorie - nu eenmaal echt moeilijk moet zijn, riskeer je zelf in de fout te gaan.

Hoe ik dan die assistentie zie? Door in een latere fase advocaat van de duivel te spelen, te proberen de samensteller te pakken op onjuistheden of onverantwoorde risico's. En die laatste rol speel ik heel graag. Wat een samensteller in een dictee immers heel vaak over het hoofd dreigt te zien, is: ben je er bij elk woord absoluut zeker van, en liefst meer dan 100%, dat jouw vorm de énige juiste is, dat alle andere mogelijke denkbare varianten en alternatieven fout zijn? Dat lijkt een makkelijke vraag, maar als juryvoorzitter destijds, en medejurylid in de Davidsfondsdictees van de laatste edities, kan ik zeggen dat we altijd weer totaal onverwacht op een kopij geconfronteerd wordt met een schrijfwijze van een deelnemer waarbij we denken: "Verdorie! Daar hadden we niet aan gedacht! Wat doen we daarmee?" En op dat soort gevallen moet je bij het samenstellen duidelijk anticiperen. Vóór de jurering.

Een heel kras geval heb ik persoonlijk jaren geleden meegemaakt in een provinciale finale, in Brugge. Daar had ik verwacht dat de deelnemers gestrest schreven, want zo hoorde het, ook volgens de regel. En zo stond het in het Groene Boekje ook bij trefwoord stressen. Tot ik de kopij in handen kreeg van een deelnemer die in de marge voorwaar noteerde: Zie GB pag. ‘zoveel', trefwoord gestresst. Jawel, de man kende het nummer van de bladzijde uit het hoofd! Dat was even panikeren. Want op dat moment waren er ook in andere Vlaamse provincies halve finales bezig. En een mobiele telefoon had niemand bij zich. We hebben dan ook achteraf moeten ingrijpen in de provinciale rangschikkingen. Want hoe fout gestresst ook was in het Groene Boekje, we moesten het nu eenmaal aanvaarden. Indien ik bij het opstellen assistentie gehad had, dan had mijn assistent dat misschien gezien. Misschien ook niet.

Als ik u googel kom ik voornamelijk berichten tegen over uw interesse voor de Eerste Wereldoorlog en 'een synchronisch en diachronisch onderzoek van het fonologisch systeem van het Oostduinkerks dialect en een klankgeografisch onderzoek van de omliggende gemeenten.' Kunt u hier iets meer over vertellen en houdt u er zich nog steeds mee bezig?

Dat was in 1968 mijn licentiaatsverhandeling (afstudeerscriptie, red.). Dialecten zijn nu eenmaal talen zoals andere, en moeten au sérieux genomen worden. Ze hebben alleen de pech gehad dat ze het door historische omstandigheden niet tot cultuurtaal hebben kunnen schoppen, en ook geen orthografie hebben. En als taal krijgen dialecten uiteraard mijn belangstelling.

Als iemand vraagt: waarom in godsnaam je belangstelling voor het Oostduinkerks? Mijn antwoord is simpel: mijn vrouw, voor 1968 nog mijn lief, woonde in Oostduinkerke. En ik had dus thuis een reden om veel naar Oostduinkerke en mijn lief te trekken: namelijk de liefde voor haar ... dialect.

Een jaar of twee na die scriptie heb ik het geluk gehad - via een wedstrijd - dat ze gepubliceerd werd. Vandaar ...

En ook de Eerste Wereldoorlog heeft uw interesse?

Jawel, een dagelijkse passie haast. Ik heb altijd erg veel belangstelling gehad voor lokale geschiedenis. Ook op het niveau van het dorp, Boezinge, het mijne dus. Toen ik hier in 1971 kwam wonen, kon ik niet anders dan getroffen worden door die alomtegenwoordigheid van de Grote Oorlog, vooral dan in de vorm van die vele tientallen Britse militaire begraafplaatsen.
Het lag dan voor de hand dat ik meteen geabsorbeerd zou worden door die Grote Oorlog zoals hij mijn dorp geteisterd heeft, dat van 1915 tot 1917 doorsneden werd door de frontlijnen. Dat leidde in 1993 tot een publicatie, Van de oorlog hoor ik niets. Een relaas over het pijnlijke wedervaren van een dove Boezingse vrouw in de Eerste en de Tweede Slag bij Ieper, meer bepaald de Duitse gifgasaanval van 22 april 1915.

Kort daarop werd ik lid en later ook secretaris, webmaster en contactpersoon van de Diggers. Een groep amateur-archeologen die vooral actief waren op een vergeten slagveld hier in mijn dorp. De BBC heeft in 2002 nog een programma aan ons gewijd, The Forgotten Battlefield. In het Boezingse slijk ploeterden wij, op zoek naar sporen van de Grote Oorlog, die vaak maar een spade diep zaten. Jarenlang is dit een gepassioneerde zaterdagnamiddagbezigheid geweest. Niet in het minst omdat we daarbij de resten van een 200-tal gesneuvelden bovengehaald hebben, die achteraf een plaats kregen bij hun comrades en Kameraden op een van de begraafplaatsen in de omgeving.

In de grond wroeten doe ik sinds 2004 niet meer, maar dagelijks ben ik nog een paar uren bezig met de Grote Oorlog. Ik doe diverse opzoekingen, ook voor de vele contacten in het Verenigd Koninkrijk. Mensen die ik in de loop der voorbije jaren tot mijn kennissen mag rekenen.

Mag ik er ook nog even bij zeggen dat ik aangenaam verrast en ook wel verbaasd ben over de relatief grote en toenemende belangstelling in Nederland voor de Eerste Wereldoorlog in Vlaanderen? Ik ben een frequent bezoeker van Forumeerstewereldoorlog.nl. De laatste maanden weliswaar meer als toeschouwer dan als actief deelnemer.

Heeft u een bijzondere taalanekdote?

Het eerste wat me te binnen schiet: in het allereerste dictee, in Ieper dus, 1993, wat op deze website staat als nr. 012, had ik het in een tekst over een staatsgreep : guerrillastrijders, putsch, marionettenregering, junta, complotteren, machtsvacuüm, enz. Ik had mijn tekst de titel gegeven: De coup. Een van de deelneemsters, een goeie kennis van mij - en collega - schreef toen : De koe. De uitspraak is identiek aan wat ik voor ogen had, maar ik heb het fout aangerekend. Er kwam immers in heel de tekst niet één van die uierbeesten voor.

Een jaar of twee later, toen ik me de Van Dale van 1995 (13de, herziene uitgave, red.) aanschafte, realiseerde ik me niet zonder enige ontzetting dat we die koe eigenlijk niet als fout hadden mogen aanrekenen! Want bij onze uitspraak van coup bij het voorlezen in 1993 zijn we misschien wel zelf in de fout gegaan... In die Van Dale prijkt als uitspraak bij dat trefwoord immers /kup/. Toen ik dat zag, viel ik gewoon achterover. Niet ongevaarlijk, met de dikke Van Dale in de hand! Ik kon gewoon niet geloven dat men dat daar in Holland écht zo zegt?! Met een -p? Dus net dezelfde uitspraak als in coupe met de betekenis ‘champagneglas' of ‘schaaltje voor ijsconsumptie'? En zouden Nederlanders in het Frans un coup ook uitspreken met een hoorbare -p?

Een Nederlandse kennis bevestigde het mij later overigens: in Nederland wordt de -p uitgesproken. Of hij in naam van alle Nederlanders sprak, dat weet ik eigenlijk niet. Eerlijkheidshalve moet ik eraan toevoegen dat in de nieuwste Van Dale ook de uitspraak /ku/ staat. Misschien om de Vlamingen te plezieren?

Diezelfde Nederlander wilde me ook laten geloven dat ze bij jullie Fran-krijk zeggen, dus Fran + krijk, met een n en een kr als in mankracht. En dat het land dus inderdaad ook gesplitst diende te worden als Fran-krijk, niet als Frank-rijk. Ik had mooi argumenteren dat het ‘rijk' toch genoemd werd naar de Franken! Het hielp allemaal niet. En het ergste moest nog komen: het Groene Boekje gaf de man voorwaar gelijk! Tenminste tot dat later gecorrigeerd werd in de errata.

Maar ach, ik liet en laat er mijn slaap niet voor. Ik heb de laatste 4 jaar wat afstand genomen van spelling en dictees, maar gun anderen heel zeker het plezier van die passie. Want dat is het. Ook het samenstellen van dictees.
Maar wél een vermoeiende passie...

***

De dictees van Aurel zijn te vinden op de pagina Oefendictees.

 


Deventer Boekenweek 2012

nieuws DeventerBoekenweek 2012 Lees meer...

Jan J. Pieterse treedt op bij Groot Deventer Dictee 2012 Lees meer...

Mannenavond LOI Lees meer...

 

Dicteespecialisten assisteren Groene Boekje Lees meer...

(Ver)taalmarkt in beweging Lees meer...

 

Column Pieter van Diepen Lees meer...

Dicteeschrijven is een sport Lees meer...

Dictee van de dag

Banner aanmelden JuniordicteeOefendicteesVeelgestelde vragenDictee op maat

Het Groot Deventer Dictee wordt mogelijk gemaakt door:

Sponsors GDD