Open brief aan jury televisiedictee
Aan de organisatoren en juryleden van het twintigste Groot dictee der Nederlandse taal
Geachte mevrouw, heer,
Uit de uitzending van het Groot dictee der Nederlandse taal van woensdag 16 december jl. op tv en uit de daarmee samengaande besprekingen heb ik het volgende onthouden:
- De spelvorm voor kop + van + jut die bij het dictee als correct werd beschouwd (de betrokken context was: "Als manlief ben ik de financiële kop-van-jut"), was kop-van-jut;
- De spelvorm voor zo + goed + als die bij het dictee als correct werd beschouwd (de betrokken context was: "zo goed als nieuw"), was zo goed als.
Bij raadpleging van het Groene Boekje blijkt het volgende:
1. kop-van-jut staat als dusdanig gespeld in het Groene Boekje – weliswaar zonder betekenisverklaring;
2. zo + goed + als staan alle drie in het Groene Boekje en pakweg zogoed (aaneengeschreven) staat er niet in.
Bij raadpleging van Van Dale blijkt echter het volgende:
- kop-van-jut is een zaaknaam met de betekenis 'krachtmachine op kermissen' en heeft een synoniem van hoofd-van-jut. In de context "Als manlief ben ik de financiële ..." is deze betekenis echter duidelijk niet van toepassing: voor die betekenis is een persoonsnaam vereist in plaats van een zaaknaam en daarbij past alleen kop van Jut, dat Van Dale onder het trefwoord Jut 2 weergeeft.
- zogoed als staat in twee woorden in Van Dale. Het wordt weergegeven onder het trefwoord zogoed. Betekenis: bijna, vrijwel. Deze betekenis is van toepassing in "zogoed als nieuw".
(Van Dale gebruikt de woordgroep "zo goed als" weliswaar ook soms in betekenisverklaringen, maar dan terecht - in die gevallen is dat consequent om er een andere betekenis mee aan te duiden: die van "even goed als". Bijvoorbeeld: "op zijn paasbest = zo goed als op Pasen, zo fraai mogelijk".)
Kennelijk wordt voor het dictee het Groene Boekje als een soort 'absolute' norm behandeld – zelfs in deze twee gevallen kop-van-jut en zo goed als ¬–, waarvoor Van Dale alternatieve schrijfwijzen geeft, met bijbehorende betekenisverklaringen en voorbeeldzinnen, die duidelijk aantonen dat kop-van-jut en zo goed als een eigen betekenis hebben die helemaal niet in de gegeven dicteetekst past.
Uit het dictee van vorig jaar had ik onthouden dat het Groene Boekje voorrang krijgt in gevallen waarin er sprake is van strijdigheid tussen het Groene Boekje en Van Dale. Bijvoorbeeld: "..., leerde het Onzevader uit mijn hoofd, ..." (Kristien Hemmerechts, 2008). Hier was "het Onzevader" (GB) juist, in tegenstelling tot "het onzevader" (VD).
Uit het dictee van dit jaar heb ik onthouden dat zelfs waar Van Dale een louter aanvullende functie ten opzichte van het Groene Boekje vervult - en daarvoor is Van Dale onder andere gemaakt - nog steeds zo veel mogelijk in het Groene Boekje moet worden gezocht naar spelvormen die voldoen aan hetgeen bij het voorlezen werd uitgesproken. Zo is tenminste gebleken:
1. zo + goed + als moet worden gespeld als "zo goed als", kennelijk omdat het in het Groene Boekje kan worden gevonden - dat Van Dale (aanvullend ten opzichte van GB en niet in strijd ermee!) de betekenis van "zo goed als" beschrijft en dat die verschilt van de betekenis van "zogoed als", en in de gegeven context voor "zogoed als" zou kiezen, doet niet ter zake;
2. kop + van + jut moet worden gespeld als "kop-van-jut", kennelijk omdat het in het Groene Boekje kan worden gevonden - dat Van Dale (aanvullend ten opzichte van GB en niet in strijd ermee!) de betekenis van "kop-van-jut" beschrijft en dat die verschilt van de de betekenis van "kop van Jut", en in de gegeven context voor "kop van Jut" zou kiezen, doet niet ter zake.
Eenieders gezond verstand zal bevestiging vinden in wat Van Dale doet: bij twee gelijkluidende spelvormen horen soms verschillende betekenissen. Een voor de hand liggend woordpaar dat dat illustreert, is Bijbel met bijbel; de vorm van de woord(beeld)en geeft de betekenis aan. Uit de vorm van kop-van-jut enerzijds en kop van Jut anderzijds is mij evenzo duidelijk dat die twee vormen elk een eigen betekenis hebben. Het Groene Boekje ontkent dat helemaal niet, doch bevestigt dat - zelfs in de woordenlijst! Voor het woord ster-van-bethlehem, dat toch een duidelijke morfologische overeenkomst met kop-van-jut vertoont, wordt er een betekenis gegeven (namelijk: plant)! Daarmee impliceert het Groene Boekje toch wel zeker dat er een andere, daarmee gelijkluidende, spelvorm bestaat die echter buiten het woordenbestand is komen te vallen? Het idee rijst dat ster van Bethlehem (of Betlehem) naar alle waarschijnlijkheid iets anders betekent! En inderdaad - maar daarvoor moet in Van Dale worden gezocht - de betekenis luidt: de ster die boven Bethlehem verscheen bij de geboorte van Christus.
Doorheen deze hele gedachte – van Bijbel versus bijbel tot ster-van-bethlehem versus ster van Bet(h)lehem – is er absoluut geen sprake van tegenspraak tussen het Groene Boekje met Van Dale. Het Groene Boekje geeft zelf weleens gelijkluidende paren die die gedachte versterken: bijvoorbeeld spartaan (gehard persoon) - Spartaan (persoon uit Sparta).
Het kost mij dan ook veel fantasie om mee te gaan in de redenering dat er voor het ene geval (pakweg ster-van-bethlehem of spartaan) wel rekening met de betekenis moet worden gehouden, maar dan louter omdat het Groene Boekje die ook geeft; terwijl er voor het andere geval (pakweg kop-van-jut) geen rekening met de betekenis mag worden gehouden, louter door het (toevallige!) feit dat het Groene Boekje die niet geeft.
De dictee-uitdaging die het Groot dictee der Nederlandse taal beoogt, bestaat dus – voor zover ik de handelwijze van de jury kan vatten – onder meer uit het volgende:
De deelnemers moeten ten eerste van 'ster-van-bethlehem' uit het hoofd weten dat het Groene Boekje daarna de tekst "plant" weergeeft, opdat zij terecht ster van Bet(h)lehem kunnen schrijven waar die laatste spelvorm bedoeld wordt (want Van Dale geldt als norm voor woorden die niet in het Groene Boekje staan, en deze ster – die geen plant is – staat in Van Dale).
De deelnemers moeten ten tweede van 'kop-van-jut' uit het hoofd weten dat het Groene Boekje daarna geen tekst weergeeft, opdat zij ten onrechte kop-van-jut kunnen schrijven waar juist de spelvorm kop van Jut bedoeld wordt.
Dat gaat toch al te ver!
Maar! Stel nu dat ik de fantasie om dát te vatten, bereidwillig opbreng. Dan – maar alleen maar dan – raak ik opnieuw in de war en wel door het volgende: waarom oordeelde u bij het dictee voor kinderen/jongeren van dit jaar dat het opgavenwoord doofgeboren uit de eerste zin wél aaneengeschreven moet worden?
Volgens wat ik eerst zo goed meende te hebben begrepen uit "zo goed als" enzovoorts, moet ik de woorddelen, zolang het mij lukt, in het Groene Boekje opzoeken, en als ik daarmee iets kan vormen dat gelijk luidt met wat de voorlezer uitspreekt, dan is dat voldoende en mag ik aan het schrijven gaan. Bij gebrek aan doofgeboren als trefwoord in het Groene Boekje zoek ik - net als ik het gewoon ben van bijvoorbeeld sterk werkend (in "een sterk werkend antibioticum"), waarbij ik niets als sterkwerkend in het Groene Boekje vind; en trouwens net als bij bijvoorbeeld zo goed als - de woorddelen afzonderlijk in het Groene Boekje op. Wel, als ik zo redeneer, dan kom ik tot het besluit dat doof geboren juist is, en dus niet doofgeboren!
Bij het dictee voor kinderen/jongeren had dit misschien een verschil gemaakt, rekening houdend met de lage foutenaantallen van de deelnemers. Overigens is het juist de categorie kinderen/jongeren waarvan men het minst zou moeten eisen dat er in Van Dale moet worden opgezocht.
Aan de verschillende persoonlijkheid van de jury die voor de kinderen/jongeren zetelde, zal het in elk geval niet gelegen hebben, want in het dictee voor 'volwassenen' van wijlen Jan Wolkers (2007) kwam er ook een woord voor dat in Van Dale moest worden opgezocht, terwijl het even goed met woorddelen uit het Groene Boekje had kunnen worden gevormd: wittekool.
U ziet het: ik ben vol verwarring. Graag een toelichting over de handelwijze van de jury ter zake.
Hoogachtend, Edward Vanhove




